
Nieuw Amsterdam Uitgevers | Omslagontwerp Studio Jan de Boer | Foto omslag: ©Kristina Lueth, Hollandse Hoogte
Matussek, zo heet hij, is docent cultuurgeschiedenis aan de Toneelacademie Maastricht. Naast zijn verplichtingen aan de Lenculenstraat werkt hij aan een proefschrift over de cultuurpolitiek van Marga Klompé en speelt hij bongo’s, in zijn vrije tijd. Dat laatste zou weleens een verwijzing naar Richard Feynman kunnen zijn, aangezien Matussek een grote liefde voor natuurkunde aan de dag legt en ervan houdt om zijn studenten te provoceren met vragen over de kortzichtigheid van hun kunst(je). ‘Kunst is geen ‘hot topic’, zoals het onderzoek naar grafeen’, beweert hij. ‘Ga het niet verzinnen (de toneelkunst), maar onderzoek het.’
Weliswaar leert de lezer Matussek slechts door de ogen van Zelda kennen, die over een alles behalve objectieve blik op de werkelijkheid beschikt – is het toeval dat ze de naam draagt van een prinses uit de fictieve wereld van videogames? – maar dat maakt hem er niet minder geloofwaardig op. Zeker niet wat betreft zijn mening over de belangstellingsradius van de gemiddelde toneelacademiestudent. Die studenten laten zich, op hun beurt, ook niet onbetuigd in hun mening over hém. “Quantumdingen vindt hij sexy”, schrijft Zelda aan haar correspondentievriendin, alsof het een sexueel overdraagbare aandoening betreft. En, dat hij vindt ‘dat het toneel zou moeten worden afgeschaft’. Of erger nog: ‘dat hij tegen fictie is’. Op een gegeven moment beslist de klas zelfs om de omstreden docent ‘op te drijven’. Als Zelda Matussek verwijt dat hij het toneelvak verafschuwt en ‘op die basis toch geen les aan de toneelacademie kan geven’ antwoordt hij: ‘Juist wel. Een criminoloog hoeft toch niet van misdaad te houden?’
Dat is geen ‘afwijkende opinie’, zoals de directeur van de toneelacademie zijn studenten wil doen geloven, dat is een oneigenlijk antwoord. Misschien dat de roman – die immers verder wil – daar om vraagt, maar teleurstellend is het wel. Althans vanuit het perspectief dat mij interesseert. Matussek en zijn studenten zijn namelijk, tot op dat moment, niet verder gekomen dan het uiten van hun wederzijdse onbegrip over de relatie tussen podiumkunst en wetenschap. Geen van beide weet de ander een uitdagend weerwoord te bieden, of een ontregelende tegenvraag te stellen. De docent slaagt er niet in om zijn studenten duidelijk te maken hoe fundamentele wetenschap (de onderzoeksmentaliteit die eraan ten grondslag ligt) dan wél een inspiratiebron voor de podiumkunsten kan zijn. Net zomin als ook maar één van de studenten op het idee komt om Matusseks gebruik van het begrip fictie te problematiseren. Door hem er bijvoorbeeld op te wijzen dat uitgerekend ‘oprecht veinzen’ weleens één van de meest trefzekere wapens zou kunnen zijn, bij de bestrijding van het wereldbeeld en de kunstuitingen waar hij zo fel tegen gekant is. Of door hem uit te dagen om de onderzoekshouding die hij zo voorstaat, eens op hun onderlinge geschil toe te passen.
Niemand in Hou me vast lijkt te beseffen (of te willen weten?) dat de essentie van geslaagd theater en grensverleggende wetenschap nou juist gelegen is in het, al te menselijke, besef van ons niet-weten. Hoe weinig we in diepste wezen weten, over wie we zijn en waartoe we in de wereld zijn. En dat dát de tragiek van Zelda’s obsessieve wil tot weten vormt. Vormde. Verleden tijd. Hou me vast verhaalt over de laatste dag van haar leven.